De ijzertijd in Vlaanderen

Er wordt heel wat verteld over de ijzertijd, maar wat moeten we daaronder verstaan en wat voor mensen leefden er in de Lage Landen toen de Romeinse legioenen binnentrokken? In dit beknopt overzicht willen we de ijzertijd kaderen binnen West-Europa, om dan in te gaan op de ijzertijd in onze gewesten. Deze tekst heeft geenszins de intentie een wetenschappelijke tekst te zijn over de ijzertijd, maar eerder een algemeen zicht voor een geïnteresseerd publiek.

IJzertijd? Vroege ijzertijd?

In heel Europa wordt in de periode 1100 v.o.j. tot 800 v.o.j. geleidelijk gebruik gemaakt van ijzer voor het vervaardigen van werktuigen en wapens. Voordien, in de bronstijd (1800 v.o.j. – 800 v.o.j.), was dat het brons. Het introduceren van ijzer is niet overal in Europa tegelijkertijd gebeurd. Zo zien we dat het gebruik van ijzer vanuit het Middellandse Zeegebied een opmars kent in noordelijke richting. Vanaf ongeveer 800 v.o.j. kunnen we ook in onze gewesten spreken van de ijzertijd.

Brons is mooi, stevig en al bij al niet zó moeilijk te vervaardigen. Waarom schakelt men dan over op ijzer, dat sneller roest en moeilijker te produceren is? De voornaamste redenen zijn de volgende. Ten eerste is ijzer, in tegenstelling tot brons, een grondstof die overal in Europa aanwezig is. Uit het brokkelige moerasijzererts kan de ervaren smid een klomp ijzer winnen, die als grondstof voor ijzeren voorwerpen kan dienen. Brons daarentegen is een legering van koper en tin, twee metalen die niet overal in Europa voor het rapen liggen. Meer nog: de twee ertsen zijn redelijk zeldzaam. Men diende goede contacten te hebben met Engeland, Scandinavië of Centraal-Europa om aan de verschillende ertsen te geraken. Wie van de handelsroutes af lag had waarschijnlijk heel wat moeite om bronzen voorwerpen te bemachtigen. Een ander groot voordeel van ijzer is dat het gewoon veel sterker en elastischer is dan brons. Brons plooit niet: het breekt. IJzer kan je smeden en herstellen en hersmeden en ga zo maar door. Het ijzer had dus praktische voordelen.

Maquette van de heuvelnederzetting op de Kemmelberg
2 jongedames in gesprek

De introductie van ijzer is niet de enige verandering die tekenend is voor het begin van de ijzertijd. In de late bronstijd (1100-800 v.o.j.) is er een breuk vast te stellen met het verleden. De nederzettingen worden kleiner, de begravingen zijn niet langer monumentale grafheuvels maar eerder uitgestrekte grafvelden van kleine begravingen, de materiële cultuur verandert en het aantal rivierdeposities neemt spectaculair toe. Wat de verklaring voor de breuk is weet men nog niet met zekerheid, maar het is archeologisch duidelijk vast te stellen. Deze grote veranderingen leiden de vroege ijzertijd in en veel van de kenmerken leven door tot aan de verovering (door het Romeinse Rijk).

In de vroege ijzertijd (800-450 v.o.j.) komen onze gewesten onder invloed van Centraal-Europa en het Alpengebied, terwijl in de bronstijd de invloed vooral vanuit het Atlantische gebied te voelen was. In de streken ten noorden van de Middellandse Zee ontstaat een draaischijf voor handelsrelaties tussen het noorden en de Griekse beschaving in het zuiden. Hallstatt speelt daarin een heel belangrijke rol. We zien dat de groeiende economische positie van Hallstatt voor een veranderende sociale structuur zorgt. Er is een opkomst van sociale elites die hun positie proberen te uiten via hun kleding en opsmuk. Deze mensen laten zich ook begraven met schitterende juwelen, wapens en paardentuig. Het paard was een dier dat pas sinds de late bronstijd/vroege ijzertijd als lastdier en sociaal belangrijk dier gebruikt werd. De elites wilden zich blijkbaar tonen als zijnde ruiters of krijgers. Dit was waarschijnlijk meer een imago dan een eigenlijke uitbeelding van militair kunnen.

Deze elites bewoonden grote residentiële hoogtesites zoals de Heuneburg en Vix. De lieden in de Heuneburg bijvoorbeeld importeerden Griekse vazen en Griekse wijn en lieten hun nederzetting omwallen met een lemen muur ‘op zijn Grieks’. Deze elites bestonden ook bij ons, zij het in iets meer bescheiden omvang. De Kemmelberg is het beste voorbeeld. Ook deze hoogtenederzetting werd bewoond door de elites, de zogenaamde ‘prinsen’. Voor de gewone bevolking zal er in de vroege ijzertijd niet zo veel veranderd zijn. De mensen bewoonden rechthoekige en korte gebouwen van maximaal 10x6m. De gebouwen waren van hout, één- of tweeschepig en hadden waarschijnlijk een zwaar schilddak, gedragen door zware steunpalen. Bij zo’n gebouw hoorde een aantal bijgebouwen, met name de spiekers of schuurtjes. Dit is een wezenlijk verschil met de vroege en midden-bronstijd, waarbij de gebouwen veel langer waren en de opslag waarschijnlijk binnen het gebouw en niet in een apart schuurtje gebeurde. De mensen leefden van landbouw (graangewassen) en veeteelt (schapen, runderen, varkens). Er wordt verondersteld dat ten minste een deel van het vee binnen de huizen stalling had.

De mensen lieten zich begraven in uitgestrekte urnenvelden. De dode werd gecremeerd en de asresten werden (al dan niet voorzien van een urn) in een kuil in de grond bijgezet. In sommige gevallen werd een klein greppeltje rond het graf aangelegd. De prinsen echter werden begraven in grote monumentale grafheuvels, samen met hun wapens, sieraden en objecten van status.

De late ijzertijd

Waar in de vroege ijzertijd de handelscontacten met Griekenland verliepen, zal vanaf de 5e eeuw v.o.j. het oosten van de Middellandse Zee aan belang inboeten ten voordele van de culturen in Italië. Vanaf de 5e eeuw zien we het belang van de Etrusken en de Romeinen groeien. De handelsrelaties zullen verschuiven en de oude elites zullen aan belang verliezen. Tussen 450 v.o.j. en 200 v.o.j. zien we de dramatische verhuizingen van volkeren uit Noord-Europa naar het Middellandse Zeegebied. Op deze manier komt Rome voor het eerst in contact met de ‘Galliërs’, die de jonge stad Rome in 386 v.o.j. plunderen. Ook Delphi wordt geplunderd in 279 v.o.j. en de ‘Galliërs’ trekken zelfs door tot het huidige Turkije, waar ze het rijk der Galaten stichten. Deze voorbeelden tonen aan dat de pronkerige elites van de vroege ijzertijd vervangen zijn door krijgers die niet alleen door Romeinen en Grieken bestreden worden maar door alle legers in het Middellandse Zeegebied als huurlingen worden ingelijfd. De naam “Galliër” wordt metafoor voor de onverschrokken krijger. Vanaf 200 v.o.j. tot de verovering zien we een afname in de migraties naar het zuiden en zien we een bloei van proto-stedelijke nederzettingen, de zogenaamde oppida.

De nederzettingen in de late ijzertijd

In het begin van de late ijzertijd leefden de mensen nog steeds in eenvoudige, rechthoekige boerderijen en aan hun levenswijze veranderde au fond niet heel veel. Het gaat nu wel duidelijker om tweeschepige gebouwen met langs een centrale as zware palen die een nokbalk ondersteunden voor het dragen van een zwaar schilddak. De opslag van de levensmiddelen was nog steeds verbonden aan de vele bijgebouwtjes en schuurtjes die in de directe nabijheid van het hoofdgebouw werden opgetrokken. De muren van de gebouwtjes waren gevormd uit vlechtwerk met een lemen bekleding. De daken waren waarschijnlijk van riet. In de constructie werd, voor zover geweten, geen gebruik gemaakt van ijzeren nagels, hetgeen in de oppida wel het geval was. Daar gebruikte men duizenden en duizenden ijzeren gesmede nagels voor het bouwen van de zogenaamde ‘murus gallicus’. De landelijke erven stonden alleen in het landschap, waren niet omheind (greppels, palissade). Waarschijnlijk werden deze nederzettingen bewoond door de uitgebreide familie, zijnde drie generaties van één gezin.

Deze alleenstaande erven kwamen in onze gewesten frequent voor, maar in Frankrijk en Duitsland zien we vanaf 200 v.o.j. zoals eerder vermeld ook de opkomst van de zogenaamde oppida. Deze oppida waren proto-stedelijke hoogtenederzettingen waar een lokale leider allerlei ambachtslieden samenbracht om luxegoederen te produceren. We denken dan aan wapens, luxueuze stoffen, goederen in goud en brons, gouden munten, glas enz. Deze materialen vonden ook hun weg tot bij ons. Dit betekent wel dat er handelscontacten bestonden die ook de “afgelegen” nederzettingen bereikten. In onze gewesten komen de oppida niet voor.

Bijgebouwen ijzertijd
Enkele bijgebouwen op een erf

De late ijzertijd

Waar in de vroege ijzertijd de handelscontacten met Griekenland verliepen, zal vanaf de 5e eeuw v.o.j. het oosten van de Middellandse Zee aan belang inboeten ten voordele van de culturen in Italië. Vanaf de 5e eeuw zien we het belang van de Etrusken en de Romeinen groeien. De handelsrelaties zullen verschuiven en de oude elites zullen aan belang verliezen. Tussen 450 v.o.j. en 200 v.o.j. zien we de dramatische verhuizingen van volkeren uit Noord-Europa naar het Middellandse Zeegebied. Op deze manier komt Rome voor het eerst in contact met de ‘Galliërs’, die de jonge stad Rome in 386 v.o.j. plunderen. Ook Delphi wordt geplunderd in 279 v.o.j. en de ‘Galliërs’ trekken zelfs door tot het huidige Turkije, waar ze het rijk der Galaten stichten. Deze voorbeelden tonen aan dat de pronkerige elites van de vroege ijzertijd vervangen zijn door krijgers die niet alleen door Romeinen en Grieken bestreden worden maar door alle legers in het Middellandse Zeegebied als huurlingen worden ingelijfd. De naam “Galliër” wordt metafoor voor de onverschrokken krijger. Vanaf 200 v.o.j. tot de verovering zien we een afname in de migraties naar het zuiden en zien we een bloei van proto-stedelijke nederzettingen, de zogenaamde oppida.

Hoofdgebouw met bijgebouw

De nederzettingen in de late ijzertijd

In het begin van de late ijzertijd leefden de mensen nog steeds in eenvoudige, rechthoekige boerderijen en aan hun levenswijze veranderde au fond niet heel veel. Het gaat nu wel duidelijker om tweeschepige gebouwen met langs een centrale as zware palen die een nokbalk ondersteunden voor het dragen van een zwaar schilddak. De opslag van de levensmiddelen was nog steeds verbonden aan de vele bijgebouwtjes en schuurtjes die in de directe nabijheid van het hoofdgebouw werden opgetrokken. De muren van de gebouwtjes waren gevormd uit vlechtwerk met een lemen bekleding. De daken waren waarschijnlijk van riet. In de constructie werd, voor zover geweten, geen gebruik gemaakt van ijzeren nagels, hetgeen in de oppida wel het geval was. Daar gebruikte men duizenden en duizenden ijzeren gesmede nagels voor het bouwen van de zogenaamde ‘murus gallicus’. De landelijke erven stonden alleen in het landschap, waren niet omheind (greppels, palissade). Waarschijnlijk werden deze nederzettingen bewoond door de uitgebreide familie, zijnde drie generaties van één gezin.

Deze alleenstaande erven kwamen in onze gewesten frequent voor, maar in Frankrijk en Duitsland zien we vanaf 200 v.o.j. zoals eerder vermeld ook de opkomst van de zogenaamde oppida. Deze oppida waren proto-stedelijke hoogtenederzettingen waar een lokale leider allerlei ambachtslieden samenbracht om luxegoederen te produceren. We denken dan aan wapens, luxueuze stoffen, goederen in goud en brons, gouden munten, glas enz. Deze materialen vonden ook hun weg tot bij ons. Dit betekent wel dat er handelscontacten bestonden die ook de “afgelegen” nederzettingen bereikten. In onze gewesten komen de oppida niet voor.

De materiële cultuur

De mensen maakten natuurlijk gebruik van keramiek voor het koken en het opslaan van voeding en goederen. Deze keramiek was handgemaakt (niet op een draaischijf) en in vele gevallen versierd met bijvoorbeeld groeven, vingerindrukken, nagelindrukken en indrukken van mespunten. Verder kunnen we er van uitgaan dat er veelvuldig gebruik gemaakt werd van hout en berkenbast, riet voor manden, leder voor drinkzakken en kledij, dierenbot enz. We moeten er niet van uitgaan dat men als primitieve landbouwers door het leven ging, maar eerder dat er een vorm van bescheiden welvaart bestond waarbij de inheemse bevolking van onze gewesten eenvoudige maar degelijke huisraad, meubilair, enz. bezat en niet als dieren op de grond sliep.

Klassieke auteurs maken ook gewag van het feit dat deze mensen veel schapen en varkens als vee hadden, dat zij zich kleurrijk uitdosten met bronzen en gouden juwelen, felle en kleurrijke wollen kledij en dat zij in grote getale het land bevolkten. De inheemse bevolking van de Lage Landen was dus allesbehalve een volk van hersenloze barbaren.

Religie en oorlogvoering

Over deze twee geladen thema’s is al veel inkt gevloeid. De bevolking in de late ijzertijd beleed waarschijnlijk een religie gelinkt aan natuurverschijnselen. Men gaf een magische kracht aan meren, rivieren, stromen en beken, bomen, wouden en dieren. Er is sprake van een groot aantal godheden met ingewikkelde namen en functies, maar door de invloed van de Romeinse verovering is de essentie van deze geloofsbelijdenissen onherroepelijk verloren gegaan.

De inheemse bevolking hechtte waarschijnlijk ook geloof aan zieners en voorspellingen, voerde offers uit aan lokale godheden (net zoals de Romeinen) enz. Religie was waarschijnlijk een hecht geheel met het dagelijkse leven, meer dan wij als 21e eeuwse mensen kunnen vermoeden. Het feit dat de religie van de inheemse bevolking gelinkt was aan de natuur en natuurverschijnselen heeft er voor gezorgd dat boomknuffelaars en New Age-aanhangers allerhande de ‘Kelten’ voorgesteld hebben als vredelievende landbouwers met een oneindig respect voor de natuur. Vergis u niet, de inheemse bevolking was een volk van boeren die zonder verpinken bossen zouden rooien en dieren vangen om er zelf beter van te worden. Meer moeten we de inheemse bevolking in de late ijzertijd vergelijken met etnische bevolkingsgroepen van vandaag, waarbij wrange sociale competitie, slavernij, koppensnellerij, pronkzucht en etnisch geweld niet ondenkbaar waren.

De verpersoonlijking van de religie voor de inheemse bevolking was volgens de teksten van Caesar de zogenaamde druïde. Deze had volgens de klassieke auteur een politieke en religieuze functie, veel macht en invloed en was zonder meer een gevaar voor de Romeinse bezetting. We moeten deze druïden eerder zien als sjamanen die de rituelen van de inheemse religie in pacht hadden. Zoals bij etnische volkeren in Afrika leek de sjamaan zich regelmatig af te zonderen in wouden, had hij veel invloed op de bevolking, voorzag hij in geneeskunde en voorspellingen en maakte hij geregeld gebruik van hallucinogene middelen om visioenen op te wekken. Het beeld van de erudiete en wijze man met wit kleed en witte baard die maretakjes ging snijden om drankjes te brouwen, moeten we opzij schuiven en vervangen door de sjamaan die beneveld door drugs voorouders en goden aanriep en de mensen een antwoord bood.

Een stamhoofd op inspectieronde
Kampement rondreizende handelaren

In de late ijzertijd is er voor het eerst sprake van plaatsen die archeologisch geïdentificeerd kunnen worden als zijnde een heiligdom of een tempel. Er zullen heel wat heilige plaatsen geweest zijn, maar de meeste zullen weinig sporen nagelaten hebben. We denken aan een woud, een meander van een rivier, plek waar een groot gevecht heeft plaatsgevonden. In sommige gevallen zijn omheinde locaties teruggevonden waar sporen zijn van offers van dieren en mensen. In Gournay-sur-Aronde en Ribemont-sur-Ancre (Noord-Frankrijk) zijn dergelijke plaatsen teruggevonden. Het gaat om hoogtesites waar dode krijgers en hun wapenuitrusting geofferd werden. Ook in onze gewesten zijn enkele kleine rechthoekige omheinde plaatsen teruggevonden waar uitsluitend afvalkuilen geattesteerd zijn. Er is een grote kans dat ook hier offers gebeurd zijn, maar door de slechte bewaringsomstandigheden in zandig Vlaanderen is al het botmateriaal en zelfs het ijzer vergaan. Hoe dan ook lijkt er in de late ijzertijd een poging geweest te zijn om heilige plaatsen een meer solide karakter te geven.

Sterk gelinkt aan de religie is de oorlogvoering. Ook al waren de ‘Galliërs’ volgens de klassieke bronnen bedreven krijgers, hun onderlinge oorlogvoering moet niet voorgesteld worden als heldhaftige veldslagen op een groene weide, maar eerder kleinschalige gevechten tussen krijgers van rivaliserende clans. We moeten ons bijvoorbeeld inbeelden dat een krijger uit persoonlijke eerzucht een raid uitvoerde op een nederzetting van een andere clan en daar een kostbaar goed roofde. Dat kon een paard, een rund, een vrouw, een mooi wapen of iets dergelijks zijn. Uit wraak werd dan een raid uitgevoerd op die ene krijger en/of zijn clan. En op die manier ontstonden kleinschalige oorlogen waarbij krijgerbenden elkaar in hinderlagen lokten, tweegevechten aangingen en trofeeën namen van hun overwonnen vijand. Deze trofeeën konden wapens en wapenrusting zijn, sieraden of hoofden van vijanden. Het opvallende is dat deze trofeeën waarschijnlijk gebruikt werden ter persoonlijke verrijking en prestige, maar ook om gunsten van de godheden af te smeken. Op die manier kreeg de primitieve oorlogvoering ook een religieus tintje. Deze manier van oorlogvoering kwam ook bij etnische stammen in alle uithoeken van de wereld voor. De Tlingit en Kwakiutl-indianen van Noord-Amerika bijvoorbeeld organiseren op geregelde tijden raids/oorlogen om goederen van andere clans te stelen en hun eigen clan en chief hoger in aanzien te maken. De ons zo goed bekende manier van oorlogvoeren waarbij het tot doel is grote lappen land te veroveren en gehele naties uit te roeien, is pas met de Romeinen in onze gewesten gearriveerd.

De bevolking komt in opstand tegen de Romeinse agressor
Ambiorix, symbool van het Belgische verzet.

Einde van de ijzertijd

Wanneer Julius Caesar besliste om Gallia binnen te vallen met een smoesje van menslievendheid, begon een campagne die hem en zijn legers door heel Frankrijk en België zal leiden. Het is een langdurige oorlog waarbij stammen zich bij Rome aansloten en andere stammen mee hielpen uitroeien. Het is een oorlog die Rome en Caesar eenflinke duit opbracht maar een heel land gebroken achterliet. Hou rekening met het feit dat het voor de Romeinen een grote eer was volkeren af te slachten en gehele naties te vertrappelen. Pas als je 5000 vijanden gedood had (mannen of vrouwen, maakt niet uit) kon je als Romeineen triomftocht krijgen. Hierbij was het nog eens de bedoeling alle schatten en duizenden slaven als vee in de optocht tentoon te stellen.

De oorlog van een gentleman zoals wij dat kennen is iets heel recent. Hetgeen wij als een eervolle strijd beschouwen zouden de Romeinen maar niks vinden. Hou ook rekening met het feit dat de toplaag van de inheemse bevolking, zijnde de leiders en de heersende klasse, de groep was die de oorlogen voerde. Van de eerste tot de laatste zullen zij in de oorlog betrokken geweest zijn en in één van de vele bloedige veldslagen ten onder gegaan zijn. Dit betekent dat enkel de zwaksten van een hele bevolking overbleven. In de 19e eeuw is de figuur van Julius Caesar met lof overladen en het verzet van mannen als Vercingetorix en Ambiorix opgeblazen om nationale gevoelens vuur te geven. Wanneer men de Gallische campagne met moderne ogen bekijkt komt het neer op een jarenlange plundertocht en een doelbewuste genocide waar niks eervol in te bekennen valt.

Galliërs? Kelten? Menapiërs? Belgae?

Er bestaan heel wat benamingen voor de inheemse bevolking tijdens de ijzertijd in onze gewesten. Deze benamingen zijn ons overgeleverd door de klassieke auteurs zoals Caesar, Strabo enz. De Romeinen noemden de mensen ten noorden van de Alpen “Galli” of “Galliërs”, zij die de streek Gallia en Belgica bewoonden. De Griekse auteurs hadden het over “Keltoi”. Caesar vermelde in het verhaal over zijn campagnes in Gallië verschillende namen van stammen of clans die zich in de verschillende regionen ophielden. Hij vermeldt in onze gewesten (“Belgica”) onder andere de Menapii en Nervii.

We moeten de klassieke auteurs en dan vooral Caesar met een grove korrel zout nemen. Deze man was in de eerste plaats een militair, een veldheer. Hij had geen notie van volkenkunde en eigenlijk was hij enkel geïnteresseerd in de samenstelling van de bevolking van Gallia om militaire en politieke redenen. Zo zei hij bijvoorbeeld dat sommige bevolkingsgroepen in Belgica van Germaanse oorsprong waren. De reden hiervoor is dat de Romeinen de Germaanse stammen als nóg gevaarlijker, woester en ontembaarder beschouwden dan de Gallische bevolking. Hén overwinnen zou Caesar ultieme eer en roem opleveren. Het overwinnen van de bevolking in Belgica, die woester en “Germaanser” was dan de bevolking in Gallia, leverde Caesar grote gloria op: duidelijk stellen dat zelfs die wilde, half-Germaanse Belgae overwonnen zijn moet wel bewijzen “dat Caesar groter is dan Alexander de Grote”.

Die bloeddorstige eerzucht en persoonlijk winstbejag waren Caesars enige beweegredenen om de Gallische campagne op touw te zetten. In geen geval mogen we zijn verhaal zo maar geloven. De etnografische situatie was waarschijnlijk heel anders en veel complexer dan de Romeinse veldheer ooit zou kunnen denken. Wanneer we kijken naar de archeologie, de meest betrouwbare bron van informatie, zien we geen wezenlijk verschil tussen de door Caesar benoemde streken Gallia, Belgica, Germania enz. Er zijn natuurlijk verschillen in materiële cultuur zichtbaar, maar op die verschillen namen van bevolkingsgroepen plakken is niet mogelijk. We prefereren het om te allen tijde te spreken van ‘inheemse bevolking’ of ‘ijzertijdbevolking’. Waarschijnlijk was deze bevolking van Indo-Europese origine en spraken de bewoners ten zuiden van de Rijn een taal verwant aan de heden bestaande Keltische talen. 19e eeuws nationalisme heeft de geschriften van Caesar maar al te graag voor gospel aangenomen en het de bevolking van de jonge staat België met de paplepel gevoederd. Maar: Caesar mag dan tijdens zijn campagne in Gallia een derde van de inheemse bevolking uitgeroeid hebben, in de Romeinse periode leven een groot aantal diepgewortelde culturele elementen zoals taal door.

De Galliërs, onze voorouders?

Veel wordt de vraag gesteld of wij – de hedendaagse bevolking van Vlaanderen – afstammen van de ‘Galliërs’, die inheemse bevolking uit de ijzertijd. Voor de Fransen is dat ten dele waarheid. Maar in Vlaanderen ligt het verhaal natuurlijk anders. Wanneer onze gewesten in de 2e helft van de 1e eeuw v.o.j. door Rome veroverd waren, begon langzamerhand het herstel van een genocide. De bevolking kwam geleidelijk aan terug op peil en in de tweede helft van de 1e eeuw begon de jonge Romeinse provincie te groeien. Deze groei hield aan tot diep in de 2e eeuw. Wegen en watervoorzieningen werden aangelegd, er ontstonden bloeiende landbouwgemeenschappen, kleine dorpen, steden enz. groeiden gestaag. Maar in de 3e eeuw was het Romeinse Rijk over zijn hoogtepunt heen. Ook de bevolking van onze gewesten begon te verzwakken en zelfs af te nemen in aantal. De Gallo-Romeinse bevolking, een gezonde mix van inheemse bevolking en Romeinse inwijkelingen, begon af te nemen en er was sprake van een stadsvlucht. De landbouw, voor het Romeinse Rijk onontbeerlijk, begon te wankelen. De Romeinen kwamen met de oplossing Germaanse immigranten aan te trekken om de braakliggende landbouwgronden terug in cultuur te nemen. Op deze manier begon gestaag de Germanisering van onze gewesten.

Naar het einde van de 4e eeuw en het einde van de Romeinse periode is de Germanisering een feit en bestond enkel nog het Romeinse staatsbestel in de vorm van belastingen, wegennet, administratie enz. De Gallo-Romeinse bevolking was geleidelijk aan geassimileerd in de groeiende Germaanse bevolking. Wanneer in het begin van de 5e eeuw het Romeinse gezag geen invloed meer uitoefende en de Germaanse stammen van over de Rijn met hun leiders, krijgers en heel hun hebben en houden definitief ons land binnentrokken was er van de Gallo-Romeinse bevolking niet veel meer over. Enkel in Tongeren en Keulen zou er nog eventjes een restant van de inheemse bevolking (in de vorm van hun taal) voortleven. Deze Germanen, de Franken en Saksen, vestigen zich als landbouwers en krijgers en uit hun taal groeide vermoedelijk het Nederlands. Wanneer men vraagt wie onze voorouders zijn moeten wij toegeven dat het niet de inheemse ijzertijdbevolking was die door de Romeinen zo pijnlijk verslagen is geweest.