Handgevormd aardewerk

een stand van zaken in het experimenteel onderzoek

Voorgeschiedenis

De eerste experimenten met klei vonden plaats in het jaar 2006 op de terreinen van de vzw Gallische Hoeve te Destelbergen (Oost-Vlaanderen). Het was vanuit een gezonde interesse dat de basisvraag ontstond: hoe werd hangemaakte keramiek vervaardigd door de volkeren tijdens de ijzertijd in Vlaanderen? Keramiek of gebakken aardewerk is in onze gewesten gekend sinds het stenen tijdperk, zo’n 7.500 jaar geleden. Het is het gidsfossiel bij uitstek voor de datering van archeologische sites en de verschillende types zijn dankzij decennia onderzoek goed gekend. De manier waarop prehistorische keramiek gemaakt werd, is echter niet altijd even duidelijk. Traditioneel stelt men “met worsten opgebouwd en in een veldoven gebakken”. Uit de basisvraag zijn nieuwe vragen gegroeid.

I am text block. Click edit button to change this text.

1. Vraagstelling

De vraagstelling, die eens zo eenvoudig was als “hoe deden ze het”, kan in verschillende subvraagstellingen opgedeeld worden:

  • waar komen de grondstoffen vandaan?
  • wat is de verschraling en de functie ervan?
  • hoe worden de verschillende vormen gemaakt?
  • hoe worden ze versierd?
  • hoe wordt de keramiek gebakken?

2. Grondstoffen?

Deze vraag leek de meest eenvoudige: traditioneel gaat men er van uit dat klei, de basis voor keramiek, lokaal gedolven werd op plaatsen waar de tertiaire klei zit en dagzoomt. Dit zou verklaren dat de keramiek roodbakkend is en een grote zandfractie bevat. De ruwe klei als dusdanig bleek allesbehalve evident. Ten eerste was het vinden van een locatie in het
landschap waar de zand-leembodem dun is en de tertiaire klei op geringe diepte zit niet gemakkelijk. Terreinen waar deze situatie zich zou kunnen voordoen, zijn meestal ontoegankelijk omdat ze in privé-bezit zijn.

In een eerste experiment werd een bruine, heel zandige klei uit de buurt van Velzeke gebruikt. Deze was gedolven op een diepte van ongeveer 40 cm. Bij een experiment in een elektrische oven bleek dat de klei wel rood bakte, maar het staal bleek niet manipuleerbaar en verkruimelde bij aanraking. De zandige fractie was veel te groot. De klei zou voor gebruik moeten worden uitgezuiverd.

In een tweede experiment werd een staal van Boomse klei gebruikt, gedolven in een kleigroeve te Niel (Antwerpen) waar ook baksteen geproduceerd wordt. De ruwe klei had een blauwzwarte kleur en was vrij zuiver. Een staal van de Boomse klei werd in een elektrische oven gebakken en kleurde felrood, net als baksteen. De klei had blijkbaar de juiste consistentie en samenstelling en werd vervolgens gebruikt om een pot te vormen. Nadat deze gedroogd was, werd een experiment in een geïmproviseerde kuiloven (zie verder) opgezet om te zien hoe de klei zou reageren in een reducerend milieu. Reducerend betekent het verminderen van zuurstof tijdens het bakken van aarderwerk. De resultaten waren vrij teleurstellend: een reducerende bakking bleek de blauwige kleur van de klei slechts te accentueren en het resultaat was een antraciet tot blauwzwarte keramiek, die zelfs op sommige plaatsen een glazige tot olieachtige patina vertoonde.

Na dit experiment werd beslist eerst de techniek van het bakken onder de knie te krijgen en daarna pas terug over te schakelen op tertiaire klei. In tussentijd wordt de gebruikte klei verder geanalyseerd naar zuiverheid en kneedbaarheid.

3. Verschraling

Verschralen, soms ook wel mageren genoemd, is het veranderen van de samenstelling van de klei door het toevoegen van andere materialen. De materialen waarmee de verschraling geproduceerd werd zijn eenvoudig te vinden. Organische materialen, zoals stukjes stro, hooi, kaf of dergelijke, maar ook zand en vooral potgruis vormden geen probleem. Potgruis wordt het gemakkelijkst bekomen door het verbrokkelen van misbaksels. De functie van de verschraling is echter een ander vraagstuk. De verschraling of magering wordt in theorie aan de klei toegevoegd om krimpscheuren te voorkomen en temperatuurswisselingen bij het bakken op te vangen. Het blijkt echter dat hoe zuiverder een klei, hoe beter. De aanwezigheid van deze elementen, en vooral de organische, zorgt er voor dat lucht en vocht meer kans krijgen zich tussen de klei te mengen (zie verder), met een grotere kans op breuken tot gevolg. Bij de meeste experimenten werden fragmenten hooi en potgruis aan de klei toegevoegd, maar het blijkt dat het vormen en bakken van een pot ook gemakkelijk zonder de verschraling kan.

4. Verschillende vormen

Er werd gekozen voor enkele vormen uit de late ijzertijd in zandig Vlaanderen: potten met een “S-profiel”, duimpotjes, weefgewichten, kralen, spinschijven, schalen en slingerkogels. Als grondstof werd een
roodbakkende hobbyklei met een beige kleur genomen. Aan de klei werden kleine
fragmenten hooi (<1 cm) en lichte potgruis als magering (<2 cm³) toegevoegd.

Het vormen van weefgewichten, spinschijven, slingerkogels, kralen en zelfs duimpotjes was geen probleem. Deze kleine volumes zijn eenvoudig en “basic” van vorm. Het manipuleren van klei vergt een klein beetje ervaring, maar “het kleinste kind” kan kralen, spinschijfjes, weefgewichten enz. uit een bol klei toveren. Het vormen van de grotere volumes was minder eenvoudig. Deze dienden met worsten klei opgebouwd te worden en dit zonder gebruik te maken van een draaischijf, maar mits enige oefening lukt het om in één uur tot anderhalf uur een kleine pot met
“S-profiel” (zonder versiering) te vormen. De magering maakte het trouwens moeilijker om effen oppervlakken te vormen en verschillende kleiworsten aan elkaar te kneden (de stugge eigenschappen van de verschraling brengen lucht in de klei). In eerste instantie leek de magering eerder een vervelende noodzaak dan een hulpmiddel.

Bart en Alain tijdens het maken van de pottenStap voor stap overlopend gaat het als volgt: uit een bol geprepareerde klei (met magering en goed gekneed om luchtbellen te vermijden) vormt men een ronde plak (±2 cm dik), die op een houten plank geplaatst wordt. Dit vormt de bodem. Daarna kan men uit een bolletje klei met beide handen een kleiworst draaien, die redelijk gelijkmatig van dikte dient te zijn. Deze wordt op de rand van de plak gelegd en met duim en wijsvinger worden plak en worst aan elkaar gekneed. Dit proces wordt herhaald tot een bekervormig volume ontstaat. Met duim en wijsvinger kan men de wand in dikte gelijkmatig uitsmeren. Door een net iets langere of kortere kleiworst aan het volume toe te voegen kan men de diameter van de pot beïnvloeden. Met de dikte van de kleiworst kan ook de dikte van de wand beïnvloed worden. Het aanbrengen van een sterke profilering bleek vrij moeilijk, doordat er geen gebruik kon gemaakt worden van een draaiwiel. Om een snelle draaiende beweging te maken en bijvoorbeeld het oppervlak van de pot glad te strijken is het makkelijker de pot met één hand op te tillen en met de andere hand de wand te effenen. Opvallend was dat door de pot op die manier te hanteren een afgeronde bodem ontstaat. Zolang de pot op de houten plaat blijft staan is de overgang van de buik naar de bodem heel scherp.

Prehistorische keramiek vertoont meestal een afronding, die mogelijk te verklaren is doordat de pot voor afwerking van de plaat getild moet worden. Bij het optillen van de pot en het manipuleren ervan wordt de bodem ook lichtjes naar binnen gedrukt, wat ook zichtbaar is bij stukken uit archeologische context. Zolang de pot op de plaat blijft staan, blijft de bodem onnatuurlijk vlak.

De gevormde volumes dienen minstens 2 weken te drogen, tot ze grotendeels uitgedroogd zijn. Dit is noodzakelijk omdat aanwezigheid van water in de klei er voor zorgt dat de pot bij het bakken zal barsten of eenvoudigweg exploderen: bij verhitting begint het water te koken en vormt een gas, dat de pot uit elkaar doet spatten.

5. Versiering?

In de protohistorie kennen we in zandig Vlaanderen een vrij beperkt gamma aan versieringen. Het gaat vooral om versieringen in reliëf: besmijting, vingertopindrukken, nagelindrukken, kamstreepversieringen, streeplijnen, mespuntindrukken en borstelstreken. De enige vorm van versiering door middel van verf die op de keramiek zichtbaar is lijkt een zwarte verf, traditioneel als pek van berkenbast beschouwd. Verder wordt ook gladding en polijsting van de pot als versiering beschouwd. De versieringen die uitgeprobeerd werden, zijn besmijting, vingertop- en nagelindrukken, streeplijnen, mespuntindrukken, gladding en polijsting.

Besmijting is een veel voorkomende versiering en de vraag bestaat of het esthetisch dan wel functioneel is (betere greep op de pot). De functie doet voorlopig niet ter zake en het ging in het experiment vooral om de technische kant. Traditioneel wordt besmijting beschreven als “je neemt een kleipap en je gooit het tegen de pot”, waarbij consequent met de arm een gooibeweging gemaakt wordt. Het blijkt dat het “gooien” van een kleipap niet het gewenste resultaat oplevert: de kleipap hecht niet goed aan de wand van de pot en het is veel eenvoudiger om de kleipap op de vingers te nemen en deze met een tokkelende/trommelende beweging op de wand aan te brengen. Dit leverde wel het gewenste resultaat op.

Vingertop- en nagelindrukken zijn op zich heel eenvoudig aan te brengen: met een vinger naar keuze (duim of wijsvinger) kunnen de versieringen in de rand gedrukt worden. Twee dingen vallen op.

Ten eerste is het duidelijk dat de indrukken niet met een zware mannenhand moeten worden aangebracht (uitgaande van het feit dat mannen over het algemeen zwaardere handen en vingers hebben dan vrouwen) want de versieringen lijken meer op ingedrukte schoteltjes. Deze taak kan beter aan een vrouw of zelfs een kind overgelaten worden. Ten tweede dient de pottenbakker vrij lange nagels te hebben om nagelindrukken aan te brengen. Het blijkt dat de moderne mens over het algemeen te korte nagels heeft en de indrukken niet diep genoeg in de wand van de pot gaan. versiering aardewerk: MespuntindrukkenStreeplijnen zijn nagenoeg de meest eenvoudige versieringen. Met een dun mes, de punt van een spatel enz. kunnen streeplijnen op de wand van de pot aangebracht worden. Het beste resultaat bekomt men gewoon door het aanpunten van een vers twijgje, waarmee de lijnen aangebracht kunnen worden. Ook mespuntindrukken zijn heel eenvoudig aan te brengen. Het is wel opvallend dat een dun mes geen goede versiering oplevert. Een kort mes met een dik blad geeft het snelste en beste resultaat.
Gladding wordt aangebracht door de pas geknede en nog natte pot met water te bestrijken en de wand op die manier te effenen. Wanneer de pot lederhard is kan met een ruwe doek de wand nog meer geglad worden. Polijsting kan men pas aanbrengen wanneer de pot grotendeels gedroogd is. Met een gladde steen (kleine rolkei die natuurlijk in de bodem voorkomt) kan men de wand gaan opwrijven tot deze glimt. Kamstrepen, borstelstreken en beschildering worden voor volgende experimenten gereserveerd.

6. Bakking?

Er wordt traditioneel van uitgegaan dat de handgemaakte prehistorische keramiek in een open kuiloven op een lage temperatuur gebakken wordt. Archeologisch zijn er enkele voorbeelden gekend.

Vanuit vzw Legia werd de vraag gesteld of het bakken van keramiek in een open kuiloven überhaupt mogelijk is. Het archeologische voorbeeld waarop de experimenten gebaseerd werden zijn de recent opgegraven kuilovens te Lille-Endelenveld, ontdekt bij de opvolging van de aanleg van een Fluxys-gasleiding (Sprengers, Vansweevelt & Annaert, 2007). De ijzertijdvondsten op de aardgasvervoerleiding DN600 Herentals-Zandhoven 2 (Prov. Antwerpen, in: Lunula, Archeologia Protohistorica XV, Leuven).

Op basis daarvan werd een eerste experiment uitgevoerd waarbij een rechthoekige kuil van ongeveer 1 m x 1 m en 0,70 m diep gegraven werd. Op de bodem van de kuil werd met rijshout een eenvoudig vuur aangestoken, dat geleidelijk met grotere blokken werd verhevigd. Enkele droge potten werden op de rand van de kuil geplaatst. Wanneer het vuur een redelijke intensiteit bereikt had, werden de vlammen gedoofd en de gloeiende houtskool op de bodem van de kuil uitgespreid. Hierop werden de gedroogde potten geplaatst. Het resultaat was dat de potten heel snel verhit geraakten en na enkele minuten uit elkaar begonnen te spatten.

pottenbakken in kuilovenEen tweede experiment werd in dezelfde kuil uitgevoerd. Deze keer werd opnieuw in het midden van de kuil een vuur aangelegd. De potten werden echter in de kuil geplaatst, rónd het vuur. Op deze manier konden de potten door de hete lucht van het vuur in de kuil geleidelijk opwarmen en voorbakken. Enkele uren later was het duidelijk dat de potten begonnen te bakken: een verkleuring van de klei was zichtbaar, van beige naar een zacht roze. Hierna leek het tijd om de potten in het vuur te plaatsen. Enkele potten bleken nog steeds niet tegen de felle hitte opgewassen en braken of grote plakken sprongen van de wand. Toch leken enkele het vol te houden en na enige tijd werd de kuil met vochtige bussels rijshout afgedekt. Deze bussels werden snel bedekt met mulle aarde. De intentie was de potten op deze manier volledig te laten bakken en dit in een zuurstofarm milieu. De snelheid waarmee de hitte onder de bussels rijshout steeg, was echter buiten alle verwachtingen en al snel werd het geluid van brekende potten duidelijk. Dit geluid is heel herkenbaar en is te beschrijven als een helder getik. De dag erna werd de kuil opengemaakt, waarbij bleek dat de meeste potten kapot of zelfs volledig vergruisd waren. De kleine exemplaren leken het best bewaard. Het was duidelijk dat de temperatuur veel trager moest worden opgebouwd.

Een derde experiment werd uitgevoerd in een veel minder diepe kuil (± 20 cm). Er werd opnieuw in het centrum van de kuil een vuur aangestoken en de potten werden rond het vuur geplaatst. Heel geleidelijk (enkele uren) werden de potten dichter bij de vlammen gebracht, tot deze in het vuur konden worden geplaatst. Hierna werden blokken beukenhout over het vuur gestapeld, zodat de potten geleidelijk volledig in de vlammen gevat waren. Ook al gebeurde dit vrij traag, de potten bleken niet tegen de temperatuurswissel bestand en de meeste potten braken of vergruisden.

Op dat moment rees de vraag of het probleem bij de bakking dan wel bij de opbouw van de potten zelf lag. Een handgemaakte pot werd hiervoor in een elektrische oven
gebakken, waarbij het bleek dat de pot netjes rood bakte. Het probleem lag duidelijk bij de te snelle verhitting: het niet geleidelijk opbouwen van de temperatuur.
De hitte van de vlammen werd bij het derde experiment met een pyrometer gevolgd. Hierbij was inderdaad duidelijk dat de temperatuur heel snel steeg en weinig controleerbaar was. Een opvallend element was de wind: de kuil bevond zich op de noordoostelijke flank van een heuvelrug, waarop de wind vrij spel had. De wind in de vlammen deed de temperatuur gemakkelijk met 100 °C schommelen, wat elke vorm van controle niet mogelijk maakte. Opvallend is echter wel dat de temperatuur van het eenvoudige vuur 750 °C bereikte!

pot die tijdens het bakken gebroken isBij een vierde experiment werd hetzelfde procedé toegepast, maar het hele proces werd nog meer vertraagd en over een hele dag uitgespreid. De bak was evenmin echt succesvol en slechts 20 % van de potten kwam onbeschadigd uit het vuur. Waarschijnlijk moet het hele proces nog vertraagd en verfijnd worden. De voeling met de temperatuur van de vlammen is een aparte kunst en een groot aantal experimenten zal nodig zijn om deze kunst te beheersen.

Het baksel was opvallend. Onze handgemaakte potten, met zand en redelijk grote fragmenten potgruis en kleine fragmenten gehakt stro gemagerd, waren geenszins vergelijkbaar met hetgeen archeologisch gekend is. Het brokkelige en donkere baksel werd niet bereikt, maar het resultaat was eerder een rozig tot grijs fijn baksel, dat meer aan vroeg- en volmiddeleeuwse keramiek deed denken. De sterk gevlekte kleur van de wanden, dat van donkergrijs tot rood varieerde, werd wel bereikt. Dit was vooral te wijten aan het contact met de vlammen van het vuur.

Tenslotte zijn er nog enkele opmerkingen rond de bakking te formuleren. Het bakken van de keramiek dient, na een hele lange tijd van drogen, op een moment te gebeuren waarop de weersomstandigheden gunstig zijn. Hierbij wordt vermoed dat het bakken van keramiek een seizoensgebonden gebeuren was. Het weer dient droog, rustig en windstil te zijn. Ook de pottenbakkers zelf dienen geduld aan de dag te leggen.

7. Besluit

De experimenten hebben aangetoond dat het produceren van handgemaakte keramiek niet zo eenvoudig is als wordt aangenomen. Het is een ambacht dat opnieuw dient aangeleerd te worden. Er dienen nog experimenten te gebeuren met lokale tertiaire klei en met enkele vormen van versiering. Ook het bakproces dient opnieuw uitgeprobeerd te worden en dit met verschillende brandstoffen, zoals eikenhout of turf (brandstoffen die hun warmte geleidelijk opbouwen en afgeven).

De samenstelling van de klei dient goed onderzocht te worden. De brokkelige eigenschappen van prehistorische keramiek zijn nog ver te zoeken. De bakking dient verfijnd te worden, zodat de potten reducerend gebakken worden en het breukpercentage tot een minimum herleid wordt.