Oorlogsvoering en krijgsgebeuren in de ijzertijd – Bewapening

Volledig uitgeruste Gallische krijger uit de laat ijzertijd. Hij draagt naast zijn helm en schild een volwaardige maliënkolder.

Volledig uitgeruste Gallische krijger uit de laat ijzertijd. Hij draagt naast zijn helm en schild een volwaardige maliënkolder.

Het metaal ijzer zou door zijn stevigheid enerzijds en zijn soepelheid anderzijds op het gebied van oorlogsvoering voor de nodige innovaties zorgen. De laatste 600 jaar van de prehistorie gaf een verrassende evolutie weer van de mogelijkheden om tegenstanders te overtroeven. In dit tweede deel over ‘Oorlogsvoering en krijgsgebeuren in de ijzertijd’ volgt een beknopt overzicht van het wapenarsenaal tijdens de ijzertijd en de daarmee parallellopende Romeinse republikeinse periode.

Offensieve wapens

Zwaard

Tijdens de late bronstijd (ca. 1100 – 800 v.o.j. werd het lange, toen nog bronzen, rechte zwaard ontwikkeld. Dit was in het krijgsgebeuren een belangrijke vernieuwing die een krijger een tactisch voordeel gaf. Later, in de vroege ijzertijd (ca. 800 – 450 v.o.j.), ook wel Hallstattperiode genoemd, bleef de vormgeving enigszins dezelfde maar langzamerhand zouden de bronzen zwaarden evolueren naar het duurzamere, stevige en soepele ijzeren zwaard.
In de Hallstattperiode bleven zwaarden met een typisch pommelgevest (soms rijk versierd), waaronder het Gundlingen- en Mindelheimtype of de zwaarden met een antennegevest, een populair gegeven bij de krijgers uit de vroege ijzertijd. Deze worden vooral teruggevonden bij grafgiften, sommige kromgebogen, zoals in het Vorstengraf van Oss (NL).

 

Antennedolk uit 6e eeuw v.o.j. Hochdorf te Eberdingen  (DE Stuttgart Wurttembergisches-Landesmuseum)

Antennedolk uit 6e eeuw v.o.j.
Hochdorf te Eberdingen
(DE Stuttgart Wurttembergisches-Landesmuseum)

In de late Hallstattperiode zijn bij de lokale vorstenelite de rijkversierde antennedolken deels uit edelmetaal, 40 à 60 cm lang, niet zozeer om mee te vechten dan wel om te mee pronken. Bij de Etrusken en Romeinen op het Italisch schiereiland kwam toen het Griekse hoplietenzwaard in zwang.
In Noordwest-Europa werden ijzeren zwaarden tijdens de La Tèneperiode (ca 450- 50 v.o.j.) een standaard gegeven. De voordelen van het stevige doch soepeler ijzer waren onder de Keltische ijzertijdsmeden een uiting van hun technisch kunnen en een kunst apart. Het zwaard had meestal een houten gevest over het ijzeren zwaarduiteinde. In onze streken kwamen ook zwaarden voor met aan het gevest ijzeren ringen naast elkaar, met mogelijk leder tussen de ringen. Een voorbeeld hiervan werd gevonden in de Schelde te Appels (Dendermonde). Gemiddeld hadden de zwaarden een lengte tussen 70 en 90 cm, sommige met prachtige versierde ijzeren scheden, abstracte versieringen of eindigend op een vorm, gelijkend op een torque. Ook de antropomorfe zwaarden, met aan het uiteinde van het gevest een mensenvorm, kwamen in de midden-ijzertijd naar voren. In de Germaanse gebieden zoals het Oosten van Duitsland bleken de zwaarden aanzienlijk minder lang te zijn, mogelijks door gebrek aan ijzererts in dat gebied. Ook de éénzijdig snijdende ‘Sax’ deed in Germanië zijn intrede.

Uit het 90 cm lange Keltische ruiterzwaard werd uiteindelijk zijn Romeinse variant, de ‘spatha’, ontworpen. In tegenstelling tot de Romeinse zwaarden werden de Keltische en ook Germaanse late-ijzertijdzwaarden vooral als slagwapen ontworpen en niet als steekwapen. Op het einde van de ijzertijd hadden zwaarden geen punt meer maar een plat uiteinde aan de kling. Een uitzondering hierop is de bekende Kelt-Iberische ‘Gladius Hispaniensis’, een tweesnijdend kortzwaard met een scherpe punt, vooral bedoeld om te steken. In oorsprong was dit zwaard ca 70 cm lang. Deze afmetingen zal het behouden tot op het einde van de Romeinse republiek (27 v.o.j.). De Romeinen leerden in de 3e eeuw v.o.j. de voordelen van dit Keltische zwaard ontdekken en de gladius zal tegen de 1e eeuw v.o.j. hun standaardwapen zijn. Het was een ideaal wapen tegen hun onbepantserde tegenstanders, waarbij de steektechniek praktisch de beste en snelste tactiek bleek te zijn.

1) Bronzen zwaard en schede uit late bronstijd, Welterbe Museum, Hallstatt, Oostenrijk. 2) bronzen zwaard uit overgangsperiode late bronstijd - vroege ijzertijd, Museum Bibracte, Saint-Léger-sous-Beuvray, Frankrijk. 3) La Tènezwaard met aan het gevest ringen naast elkaar, met mogelijk leder tussen de ringen. Dit zwaardtype werd ook gevonden te Appels (Dendermonde) bij baggerwerken op de Schelde. 4) IJzeren zwaard en schede, La Tène model, Museum Bibracte, Saint-Léger-sous-Beuvray, Frankrijk

1) Bronzen zwaard en schede uit late bronstijd, Welterbe Museum, Hallstatt, Oostenrijk.
2) bronzen zwaard uit overgangsperiode late bronstijd – vroege ijzertijd, Museum Bibracte, Saint-Léger-sous-Beuvray, Frankrijk.
3) La Tènezwaard met aan het gevest ringen naast elkaar, met mogelijk leder tussen de ringen. Dit zwaardtype werd ook gevonden te Appels (Dendermonde) bij baggerwerken op de Schelde.
4) IJzeren zwaard en schede, La Tène model, Museum Bibracte, Saint-Léger-sous-Beuvray, Frankrijk

Een ander uniek zwaardtype kon je bijna vergelijken met het bij ons gekende sabel en kromzwaard. Het betreft de Keltiberische ‘falcata’, van oorsprong een Grieks zwaard, ‘kopis’ genoemd. Het was qua gebruik verspreid over het noordelijke Mediterrane gebied en werd zowel bij de Grieken, Etrusken en Romeinen gebruikt en was populair bij de Keltiberiërs die er hun eigen accenten inlegden.

Lansen en werpspiesen

1) Vroege ijzertijd lanspunt, Schwab Museum, Bienne, Zwitserland 2 - 4) La Tène parade lansen, Laténium Museum, Hauterive, Zwitserland

1) Vroege ijzertijd lanspunt, Schwab Museum, Bienne, Zwitserland
2 – 4) La Tène parade lansen, Laténium Museum, Hauterive, Zwitserland

Een lans (rechts) is in de eerste plaats een steekwapen om de vijand bij onmiddellijk contact te bevechten en op afstand te houden. In de bronstijd werden de bronzen lanspunten in mallen gegoten en eventueel behamerd. In de loop van de ijzertijd werden de ijzeren lanspunten gesmeed. Een gemiddelde lans was circa 2,50 m lang. In het Zwitserse La Tène werden heel wat verschillende lanspunten gevonden, van slanke lange tot brede korte. Enkele lijken heel goed op de bekende Romeinse pilum. Sommige lanspunten hadden een kunstige afwerking in de vorm van een vlam of platte peervorm. Ook hier was het parade-element belangrijk.

IJzeren lansen, speren en speervoetjes uit de La Tèneperiode. Museum Bibracte, Saint-Léger-Sous-Beuvray, Frankrijk

IJzeren lansen, speren en speervoetjes uit de La Tèneperiode.
Museum Bibracte, Saint-Léger-Sous-Beuvray, Frankrijk

De werpspiesen (links) zijn lichte speren van 1 à 1,50 m lang om de tegenstander op langere afstand te raken. Dit was meer voor de gewone krijger, die hiermee 30 tot 50 m kon bereiken.

Waren bij de Romeinen in de 4e eeuw v.o.j. nog de lange lansen standaard, vanaf de 2e eeuw v.o.j. werd dit vervangen door de beroemde pilum, een uniek tactisch wapen met als doel de schilden van de tegenstanders te doorboren. De pilum was ca. 2,20 m lang, met op het uiteinde een lange smalle lanshals van ongeveer 70 cm, eindigend op een kleine scherpe piramidale spits. Later werd aan het uiteinde van de 1,60 à 1,80 m houten schacht een piramidevormige houten verzwaring aangebracht. De volledige constructie had een groot doorboringsvermogen die de Romeinse legionair een tactische voorsprong opleverde tegen zijn ongepantserde of minder soepel opererende tegenstanders.

Bogen en pijlen

Het is nog niet met zekerheid geweten of boogschutters in de strijd actief waren. Daarvoor ontbreekt het vandaag aan de nodige (archeologische) bewijsstukken. Bogen en pijlen werden wel als jachtwapen gebruikt. In Noordwest-Europa bestond de boog uit één stuk, bestaande uit taxus- of essenhout. De gemiddelde draagwijdte van dit type boog was 80 à 120 m.
In de ijzertijd was bij de Romeinen de boog evenmin een tactisch wapen, hoewel zij in hun lichte troepen wel huurlingen hadden, vooral uit het Nabije Oosten, uitgerust met de samengestelde boog. Deze boog bestond uit twee stukken, soms uit een combinatie van hout en dierenbeenderen. De penetratiegraad (een pijl kon een maliënkolder doorboren) en het schootsbereik (300 m) was ook veel groter.

De slinger

De slingeraar

De slingeraar

Een onderschat doch geducht wapen. In een groot deel van het Gallisch gebied vond je vooral slingerkogels in aardewerk terug. De gewichten varieerden tussen 30 en 90 gram. Ze zijn in verschillende vormen terug te vinden: biconisch, ovaal en bol. Proefondervindelijk had de ijzertijdmens ontdekt dat de biconische vorm het beste resultaat gaf qua trefzekerheid en afstand. Afstanden van 300 en mogelijks zelfs 400 m werden gehaald. Gebakken slingerkogels hebben trouwens een grote penetratiegraad.
De slinger en de bijbehorende munitie is relatief gemakkelijk en snel te maken, maar de slingertechniek onder de knie krijgen is een kwestie van intensieve oefening.
Het is het wapen van de armen en vooral bij de herders en boeren kwamen de beste slingeraars voor, die als lichte hulptroepen dienst deden. Het werd van kindsbeen af aangeleerd en kon soms levensnoodzakelijk zijn om zich te beschermen tegen plunderaars of roofdieren. Bij de Nervische opstand tijdens de Gallische oorlog in 54 v.o.j. werden volgens Caesar sommige hutten zelfs door hen in brand geslingerd, door de kogels eerst in een vuur te verhitten. In onze regio werd op de Kemmelberg een 40-tal exemplaren teruggevonden.
In de Griekse en Romeinse legers werden ook loden slingerkogels gebruikt, gegoten in een mal of een gat in de grond.

Romeinse ballista (boven) en scorpio, twee vernuftige artileriewapens welke ook Julius Caesar gebruikte tijdens de Gallische Oorlog (58 - 52 v.o.j.)

Romeinse ballista (boven) en scorpio, twee vernuftige artileriewapens welke ook Julius Caesar gebruikte tijdens de Gallische Oorlog (58 – 52 v.o.j.)

Artillerie

Artillerie in die periode was werpgeschut (op basis van torsiekracht of kruisboogmechanica) dat zware projectielen kon lanceren over een grotere afstand. Ontstaan in de Griekse stad Syracuse op het eiland Sicilië (IT) in 399 v.o.j. kende de artillerie een verspreiding over de Griekse en uiteindelijk ook Romeinse wereld. Het werd zowel als belegeringswerktuig om de vijandelijke fortificaties te bestoken, als op het slagveld gebruikt. De projectielen konden grote stenen kogels zijn of zware pijlbouten.

Ballista

De ballista (foto rechtsboven) was een torsiewerptuig dat stenen kogels zowel in een rechte als in een kromme baan kon lanceren. Op een slagveld kon zo’n gelanceerde kogel verschillende malen stuiteren op het veld en zo verschillende tegenstanders tegelijk neermaaien. Dergelijk geschut kon zelfs een afstand van iets meer dan 400 m overbruggen.

Torsiewerptuig: torsie is de spanning die ontstaat door te wringen. In dit geval door in elkaar verstrengelde touwen naar achteren te wringen creëert men spanning met de nodige potentiële energie. Door deze spanning los te laten kan men een projectiel lanceren.

Scorpio

De Romeinen beschikten over de scorpio (foto rechtsonder), een lichter artilleriewapen vergelijkbaar met een grote kruisboog. Het kon grote pijlen met een aanzienlijk doorboringsvermogen afvuren, waartegen toenmalige schilden of harnasbeschermingen niet waren opgewassen.

Onager

De ‘onager’ was een katapult met aan het uiteinde een soort slingerzak en kon zelfs in een kromme baan meerdere stenen kogels tegelijk wegslingeren. Dit was ideaal om de vijand op een wal te bestoken of een fortificatie te verdedigen.

De bijl

Als we de iconografische gegevens uit de Hallstattperiode en de archeologische vondsten analyseren, dan werd de bijl tijdens de vroege ijzertijd vermoedelijk nog als een wapen gebruikt. In het begin van de ijzertijd was de bronzen kokerbijl gangbaar, maar zou langzaam maar zeker naar een ijzeren versie overgaan. Dergelijke bijlen konden ook gebruikt worden als werpwapen (zoals de latere Frankische werpbijl).
In de midden- en late ijzertijd lijkt dit wapen uit het krijgsgebeuren te zijn verdwenen. Op het einde van de late ijzertijd lijken bijlen in de Germaanse contreien terug aan populariteit te winnen.

IJzeren bijl tijdens de overgangsperiode van brons naar ijzer

IJzeren bijl tijdens de overgangsperiode van brons naar ijzer

Verdedigingswapens

Kurassen en maliënkolders

Bronzen kuras met gedreven motief afkomstig uit Marmesse, Haut-Marne. 8e eeuw v.o.j., (Hallstattperiode). Musée des Antiquités Nationales, Saint-Germain-en-Laye, Frankrijk.

Bronzen kuras met gedreven motief afkomstig uit Marmesse, Haut-Marne. 8e eeuw v.o.j., (Hallstattperiode).
Musée des Antiquités Nationales, Saint-Germain-en-Laye, Frankrijk.

Tijdens de Hallstattperiode werden de vroeg-Keltische elites qua verdedigingswapens via de Griekse handelscontacten beïnvloed. Zo konden sommigen zich een bronzen kuras permitteren, ontworpen naar Grieks model. Op verschillende plaatsen van de Balkan tot in Frankrijk zijn enkele exemplaren hiervan teruggevonden. Een dergelijk kuras bestond uit twee gedeelten die enerzijds de borstkas, schouders en buik beschermden en anderzijds de rug. Het bronzen model kon een zwaardslag weerstaan en gaf de drager daardoor een voordeel in het gevecht. Van de kurassen bestonden ook lederen en linnen varianten.
Begin 4e eeuw bewezen de Keltische ijzertijdsmeden nogmaals hun praktische bekwaamheid op het gebied van de smeedkunst met de ontwikkeling van de maliënkolder, een pantser bestaande uit duizenden in elkaar gehaakte ijzeren ringetjes.
De maliënkolder was ideaal om de slag van een zwaard op de vangen, omdat het de energie van de slag verdeelde en zo het lichaam beschermde. Een maliënkolder weegt wel tussen de 11 en 15 kg. Enkel de elite kon dit pantser bekostigen.

Een compleet uitgeruste Gallische krijger uit de La Tèneperiode (laat-ijzertijd - 1e eeuw v.o.j.). De uitrusting bestaat uit een type Port-helm, schild met umbo, speer, zwaard en maliënkolder. Deze uitrusting kon zich alleen de aristocratische Kelt veroorloven met als uitschieter de maliënkolder die een fortuin koste.

Een compleet uitgeruste Gallische krijger uit de La Tèneperiode (laat-ijzertijd – 1e eeuw v.o.j.).
De uitrusting bestaat uit een type Port-helm, schild met umbo, speer, zwaard en maliënkolder.
Deze uitrusting kon zich alleen de aristocratische Kelt veroorloven met als uitschieter de maliënkolder die een fortuin koste.

In oorsprong droegen de rijkere Romeinen in de 5e en 4e eeuw v.o.j. nog de zware Griekse hoplietenuitrusting. Door hun confrontatie met Keltische krijgers schakelden ze langzaamaan over naar lichtere vierkante of driehoekige bronzen borstplaten. Ze erkenden ook het nut van de Keltische maliënkolder. In het begin zijn het eveneens de rijke Romeinen die zich dit konden veroorloven, maar dankzij uiteindelijke standaardisatie en het oprichten van grote smedenateliers in de loop van de 2e eeuw v.o.j. kregen alle Romeinse legionairs dezelfde bewapening en bescherming. Dit bood hen individueel en zeker in groep een aanzienlijk voordeel tegenover hun tegenstanders. Romeinse veldheren in de late republiek (zoals Marius, Sulla, Lucullus, Pompeius en Caesar) zullen deze massale standaardisatie qua bewapening en gebruik in het voordeel van Rome ten volle weten te benutten.

Schilden

Van de Hallstattperiode is weinig of niks bewaard gebleven, aangezien schilden grotendeels uit organisch materiaal bestonden. Dankzij de iconografie op bronzen situlae (emmers), gordelblik en andere, krijgen we wel een indruk. Op de Arnoldi-situla (Bologna, Museo Civico, IT) zie je krijgers met licht ovale schilden en afgeronde schildhoeken. Op een bronzen blikgordel gevonden te Vace (Slovenië) zie je krijgers met hetzelfde type van schilden. Je merkt qua versiering Griekse of Etruskische invloeden.

Bronzen schild, versierd met applicaties en knoppen, ingelegd met rood email. Gevonden in de Theems nabij Battersea (UK)

Bronzen schild, versierd met applicaties en knoppen, ingelegd met rood email.
Gevonden in de Theems nabij Battersea (UK)

Het ijzertijdschild had enkele steeds voorkomende kenmerken. Het bestond doorgaans uit hout met één horizontaal handvat in het midden. Dit werd in oorsprong eventueel beschermd door een ovale houten umbo (schildknop) of spina (verticale rib in het midden van het schild). In de midden-ijzertijd krijgen deze schilden een extra bescherming door een ijzeren plaat te leggen over de houten schildknop. Dit staat gekend als de ‘vlinderumbo’. In het Zwitserse plaatsje La Tène, dat zijn naam leende aan het 2e gedeelte van de ijzertijd, zijn enkele goed bewaarde voorbeelden hiervan teruggevonden. Deze waren vooral ovaalvormig, meestal niet groter dan 110 cm lang op ca. 50 cm breed, op sommige randen bezet met ijzeren banden als extra bescherming tegen een zwaardslag. Naast de ovaalvorm werden ook zeshoekige en rechthoekige schilden teruggevonden. Een andere bekende schildenvondst uit de ijzertijd zijn de schilden van het relatief goed bewaarde Hjotspringschip (3e eeuw v.o.j.) in het zuidoosten van het Deense schiereiland. Hier werden ongeveer 150 eikenhouten schilden teruggevonden, rechthoekig van vorm met lichte afrondingen op de zijden. De gemiddelde grootte was 88 cm bij 50 cm (ovaal) en 66 cm bij 30 cm (rechthoekige vorm).
In de late ijzertijd zou de houten spina en houten schildknop langzaamaan verdwijnen en vervangen worden door een ronde ijzeren schildknop. Dit spaarde enerzijds gewicht uit en de hand bleef door de ijzeren schildknop extra beschermd. Wie het zich kon permitteren, liet op de schildranden een ijzerbeslag leggen wat de duurzaamheid tegen zwaardslagen ten goede kwam. Sommige schilden werden met leer overtrokken of werden beschilderd om indruk op de vijand te maken.
De vorm en samenstelling van de ijzertijdschilden zorgden ervoor dat ze enerzijds een relatieve bescherming boden aan hun drager en anderzijds aanvalsmogelijkheden gaven door hun tegenstander een slag toe te dienen.
Op sommige plaatsen werden prachtige bewerkte bronzen schilden teruggevonden zoals in het Engelse Battersea. Het waren paradeschilden voor de elite en echte kunstwerken van de smeden en bronsbewerkers.
De Romeinen hadden nog in de 5e eeuw voor hun zware infanterie (bestaande uit de rijke Romeinse burgers, in feite de rijkere landbouwers) de zware ronde bronzen Griekse hoplon. De minder gefortuneerde Romeinen hadden eventueel een klein houten of gevlochten rond schild. Na hun eerste confrontaties met de Kelten zouden ze de Keltische schilden overnemen en aanpassen. Tegen de 2e eeuw v.o.j. was het Romeinse schild geëvolueerd tot een 130cm groot houten ovaal schild met rond handvat en behoorde het tot de standaarduitrusting van de Romeinse legionair. Op het altaar van de Romeinse consul Ahenobarbus (momenteel te bezichtigen in het Louvre te Parijs) is de uitrusting van de toenmalige laat-republikeinse soldaat te zien.
De schilden waren opgebouwd uit gelaagde planken, wat een betere bescherming bood. Een uitstekend bewaard exemplaar, het Kasr-el-Haritschild, werd gevonden in de Egyptische woestijn te Fayum. Ook dit had een houten spina en een bronzen of ijzeren bescherming ter hoogte van het horizontale handvat net als hun kleinere Keltische tegenhanger. Op het einde van de laat-republikeinse periode zal de Keltische tendens gevolgd worden en enkel een ronde ijzeren umbo en ijzeren beslagen schildrand als extra schildbedekking overblijven.

Helmen

Type Berru-helm, gevonden in Marne uit 4e tot 2e eeuw v.o.j. Musée des Antiquités Nationales, Saint-Germain-en-Laye, Frankrijk

Type Berru-helm, gevonden in Marne uit 4e tot 2e eeuw v.o.j.
Musée des Antiquités Nationales, Saint-Germain-en-Laye, Frankrijk

Net als een groot deel van het wapentuig zit ook de Keltische helm nogal foutief in ons collectief geheugen. Veelal wordt een Kelt met een scherpe conische helm afgebeeld met een soort ruitachtige of scherpe bronzen helmkam. Dit is echter een helm uit de late bronstijd van de Villanovacultuur (900 – 700 v.o.j.) met als centrum Noordoost-Italië en verbonden aan de vroeg-Etruskische periode.
De ijzertijd kende qua metaalvormgeving een aanzienlijke evolutie. De smeden en vooral deze bij de Keltische volkeren, waren uitstekende ambachtslieden en metaalkunstenaars. Bij de overgang van de brons- naar de ijzertijd was de Griekse en Etruskische invloed niet veraf. De helm was een vorm van bepantsering die eveneens aan de elite prerogatief was. Een voorbeeld van een vroege-ijzertijdhelm was deze van het type Negau, een soort klokvormige bolhoed, qua vorm vergelijkbaar met de beroemde Britse politiehelmen. In het begin waren het vooral bronzen helmen maar het nieuwe metaal ijzer zou uiteindelijk de bovenhand halen.

In de midden-ijzertijd, de vroege La Tèneperiode (5e – 4e eeuw v.o.j.) komt het Berru-type in zwang. Het is een helm die gekenmerkt is door zijn hoge conische kegelvorm, met een lichte kleine afplatting naar het achterhoofd toe. Een grotere concentratie van deze helmen werd in het Marnegebied gevonden, o.a te Berru in het noordelijk centrale deel van Frankrijk. Maar ze werden eveneens teruggevonden in het Oostenrijkse Dürnnberg en Hallstatt. Een prachtig bewerkt exemplaar kan je bewonderen in het Nationaal Oudheidkundig Museum van Frankrijk te Saint-Germain-en-Laye.
In diezelfde periode komt ook een eenvoudiger halfbolvormig type voor.

Type Agenhelm, laatste eeuw v.o.j.

Type Agenhelm, laatste eeuw v.o.j.

In de late La Tèneperiode (4e – 2e eeuw v.o.j.) zet zich een verdere ontwikkeling door met een lage conische helm uitlopend op een langere achterhoofd- en nekbescherming. Iets later worden ook wangkleppen aangebracht. Binnen de Keltische wereld en ook de Etruskische is dit in die periode een veel gedragen helmtype. Bij één van deze types, de Montefortinohelm, is de nekbescherming iets meer afgeplat. De Romeinen ontdekten al snel het praktische nut van dit helmtype en in de laatste twee eeuwen was dit de standaardhelm tot aan de periode van de Romeinse veldheer Julius Caesar.
Eén van de meest schitterende stukken, gekend uit La Tène, is de beroemde gouden Agrishelm met prachtige La Tènemotieven. Het is zeker geen helm die je in een gevecht draagt maar een pronkstuk.
In de laatste eeuwen vóór onze jaarrekening komt een nieuw type op, de Agenhelm. Deze ijzeren helm is gekenmerkt door een bolvormige of licht conische vorm met over de volledige rand van de helm een schuin naar beneden aflopende randbescherming van enkele cm lang. Langs de zijkant zijn wangkleppen aangebracht. Archeologen spreken ook wel van het West-Keltische type (wangkleppen vooraan aangebracht) en Oost-Keltische type (wangkleppen meer naar achteren aangehecht). Het is een helm die de drager een uitstekende bescherming biedt tegen zwaardslagen. Het is vooral een ruiterhelm; hij werd dus gedragen door de rijkere Keltische elite.

In het de midden van de laatste eeuw v.o.j. komt de Coolushelm op, een bolvormig helmtype met een grotere nekplaat, eveneens met wangkleppen. Eén variant is het type ‘Port’, gekenmerkt door een geribde achterhoofdbescherming uitmondend in een schuin aflopende nekplaat. Dit is de inspiratiebron voor de door iedereen zo bekende Romeinse helm. Maar net zoals bij vele Romeinse wapens is dit van oorsprong een Keltische creatie. De Porthelm zal vooral gedragen worden door de Keltische hulptroepen in het Romeinse leger.

Conclussie

De Keltische ijzertijdsmeden getuigen van een enorme bekwaamheid en hebben oog voor de nodige innovatie. Er is duidelijk sprake van een technologische evolutie, voornamelijk door het gebruik van ijzer.
Een groot deel van de bewapening was voorbehouden voor een beperkte groep binnen de Keltische en Germaanse wereld, met andere woorden: enkel de elite kon zich een volledig wapenassortiment permitteren.
Het vernieuwende van de Romeinen zat in de wijze waarop zij wapens en tactieken van de hen omringende volkeren of tegenstanders overnamen en dit wisten te perfectioneren en te integreren binnen hun leger. Door de creatie van grote smeedateliers (fabricae) zorgden ze voor een massaproductie en standaarduitrusting voor al hun
soldaten.

Bronnen

Literatuur

  • Polak & Van Gennep, 2007. Polybios, “Wereldgeschiedenis 264-145 v. Chr.”, Amsterdam
  • Van Daele, B., 2003. Het Romeinse leger, Leuven
  • Connolly, C., 1998. Greece and Rome at war, London
  • Verhart, L., 2006. Op zoek naar de Kelten, Utrecht
  • Feugère, M., 1994. Casques antiques. Les visages de la guerre de Mycènes à la fin de l’Empire romain, Paris
  • Brunaux, J-L., Lambot, B., 1987. Guerre et armement chez les Gaulois, Paris
  • Warry, J., 1981-1993. Oorlogsvoering in de Klassieke wereld, Helmond
  • Mathieu, F., 2007. Le guerrier Gaulois du Hallstatt à la conquête Romaine, Paris
  • Reeks: Men-at-Arms, uitgeverij Osprey Publishing:
    • Wilcox, P., 1982. Rome’s Enemies (1) Germanics and Dacians, Wellingborough
    • Wilcox, P., 1985. Rome’s Enemies (2) Gallic & British Celts, Wellingborough
    • Martinez, R. T., 1986. Rome’s Enemies (4) Spanish Armies, Wellingborough
    • Sekunda, N., Northwood, S., 1995. Early Roman Armies, Wellingborough
    • Sekunda, N., Northwood, S., 1996. Republican Roman Army 200 – 104 BC, Wellingborough
    • Simkins, M., 1985. The Roman Army from Caesar to Trajan, Wellingborough
  • Reeks: New Vanguard, uitgeverij Osprey Publishing:
    • Campbell, D. B., 2003. Greek and Roman Artillery 399 BC – AD 363, Wellingborough

Foto’s

Koenraad Boel behalve:

door Erich Lessing/Contrasto:

  • Antennedolk
  • Bronzen schild

door Loic Hamon/Photo RMN:

  • Bronzen borstkuras