1. Bezit van metaal: een stimulans voor macht en oorlogsvoering

Het ontstaan van de landbouw in de late steentijd zorgt voor een overschot aan voedsel. Hierdoor komt er tijd vrij voor gespecialiseerde ambachten en nieuwe producten voor aanmaak op grotere schaal. De nieuwe factoren, landbouwterritorium en bezit, vormen mee de basis van grootschalige menselijke conflicten en de wil om te (over)heersen. Wie wapens bezit en ermee kan omgaan, bepaalt letterlijk en figuurlijk de handel en wandel. In de bronstijd herkennen we al duidelijke sociale differentiatie en in verschillende grafcontexten vinden we wapendeposities terug. In deze periode ontstaan onder andere de kokerbijlen, de bronzen (gegoten) zwaarden en de bronzen helmen. Metaalproductie en de vervaardiging van wapens wordt een belangrijke gespecialiseerde menselijke bezigheid. Het bezit van metaal en/of metalen wapens binnen een agrarische of proto-stedelijke gemeenschap doet de macht en het aanzien van het individu (of een beperkte elite) sterk toenemen.

2. Late bronstijd/vroege ijzertijd en Hallstattperiode

De Villanova-cultuur die zich vooral situeert in de late-bronstijd (900 – 700 v.o.j.) in de Italiaanse gebieden in en rond Bologna, Etrurië en Campanië, had zijn invloed op de Etrusken. Samen met de Griekse handelscontacten zal dit de vroege-ijzertijdcultuur of Hallstattperiode (vroeg-Keltische) beïnvloeden. Met de landbouw is ook het langdurig bewaren van voedsel belangrijk geworden. Het mineraal ‘zout’ wordt hierdoor een belangrijk handelsgoed: het “witte goud” van de vroege Kelten. De ontginning vindt plaats in de bergzoutmijnen van Zuid-Duitsland en Noord-Oostenrijk te Hallstatt. Zout wordt verhandeld met wijn uit de Griekse wereld en barnsteen vanuit het noorden. Dat de mijnbouw een lucratieve bezigheid is, ondervinden we aan de rijke grafgiften bij ‘mijnwerkers’. De overgang van brons- naar ijzertijd kenmerkt zich door het geleidelijk veranderen van metaalsoort, van brons naar ijzer. Nochtans blijft de vormgeving van zwaarden en bijlen in oorsprong dezelfde. Ook de ruiter en het paard komen in hoger aanzien binnen de maatschappij. Dit is zichtbaar in de iconografie op sommige situlae (mengvaten), waarop je de Hallstattkrijgers in actie ziet. Op militair vlak is er enige beïnvloeding via de Griekse handelscontacten en vinden archeologen Griekse Negauhelmen en bronzen kurassen terug. De Hallstattperiode kenmerkt zich door een combinatie van lokale late-bronstijd/vroege-ijzertijdelementen, met mediterrane beïnvloeding vanwege de Griekse en Etruskische culturen. De kern van deze Hallstattcultuur situeert zich in het huidige Noord-Oostenrijk, Zuid-Duitsland, Oost-Frankrijk, Tsjechië, Slowakije en Slovenië. Deze vroege-ijzertijdkrijgers in de Hallstattperiode zouden volgens hedendaagse archeologische inzichten niet echt offensief ingesteld geweest zijn. Deze Hallstatt-elite beïnvloedt socio-cultureel de periferie Noord-Europa. Aanzien naar buiten toe speelt een belangrijke rol.t.

Hallstatt krijgers

Hallstatt bronzen zwaard en schede

Hallstatt tweespan

3. Late Hallstattperiode: heuvelforten en lokale vorsten bepalen handel en omgeving

Het ontstaan van de Griekse handelsstad Massilia (Marseille) rond 600 v.o.j. en de sterke hinterlandwerking via o.a. de Rhône, doet het zwaartepunt van het 2e gedeelte van de Hallstattperiode verschuiven naar Zuidwest-Duitsland en Oost-Frankrijk. Heuvelhoogteversterkingen met hun Fürstensitze (‘Vorstenzetels’) beheersen hun onmiddellijke omgeving en zijn strategisch gelegen voor de weelderig tierende tussenhandel in diverse gegeerde producten. In deze periode is een evolutie naar lokaal strategisch gelegen hoogteversterkingen in Europa goed waarneembaar. Om enkele schoolvoorbeelden te noemen: Heuneburg (Baden- Württemberg, DE), Mont-Lassois (Vix, Côte-d’Or, FR), Kemmelberg (BE), Le Chèslee (BE). Vooral de Heuneburg ten noorden van de Alpen is een buitenbeentje, want met leemtegels wordt daar een heuse fortificatie naar Grieks model geïmiteerd. Voor de ijzertijdbewoners van die omgeving moet dit een indrukwekkend gegeven zijn en voor de lokale vorst een serieus pronkmiddel: een illustratie van de controle over een actieve tussenhandel o.a. met de Griekse en ook de Etruskische wereld. In de elite- en krijgersgraven worden verschillende artefacten teruggevonden, afkomstig uit de mediterrane omgeving met in sommige graven prachtig afgewerkte antennezwaarden en -dolken. In vorstengraven zoals Hochdorf bevinden zich vierwielige wagens, pronkstukken van de ijzertijdtechnologie en paardentuig, een prachtige met goud bewerkte antennedolk en zelfs zijde. Deze buitenlandse handelsschenkingen staan erg chique en verhogen het prestige van de plaatselijke vorst zowel binnen als buiten de gemeenschap. Eind 6e/ begin 5e eeuw v.o.j. komt er op korte tijd een abrupt einde aan deze lokale vorstendommen. De reden hiervoor is momenteel nog moeilijk traceerbaar. Waren er onlusten of speelden andere socio-economische factoren mee?

4. La Tèneperiode: oorlogszucht en expansie van de Keltische ijzertijdkrijgers

De La Tèneperiode, de tweede periode in de ijzertijd (5e eeuw v.o.j. – ca. 50 à 12 v.o.j.), laat een veranderende maatschappij zien. De macht van lokale vorsten lijkt verdwenen en maakt plaats voor een minder gedifferentieerde maatschappij. Historici noemen dit ook wel de Keltenperiode. De individuele krijgers, die een groeiende aanhang verwerven via persoonlijke acties, komen op de voorgrond in een krijgszuchtige maatschappij. Raids en rooftochten om meer buit en aanhang te krijgen zijn de maatstaf voor sociaal-economische macht. De praktische Keltische ijzertijdsmeden tonen hun wapentechnische bekwaamheid en vernuft. Enkele voorbeelden zijn lange ijzeren ruiterzwaarden, conische of bolvormige helmen met nekbescherming (en later wangkleppen), lansen met (lange) speerpunten, schilden met ijzeren umbo (schildknop) en de maliënkolder die tegen zwaardslagen en -sneden beschermt. Vooral een krijger uit de elite kan zich dit, naast een paard, aanschaffen. De gemiddelde krijger moet het stellen met lans, werpspiesen en schild. In een maatschappij waarvan de basis uit ca. 90 % landbouwers bestaat, zijn het vooral de ca. 3 % (beroeps) krijgers die de toon zetten. Een toenemende bevolkingsgroei met meer jonge mannen leidt tot expansieve bewegingen.

Eind 5e/begin 4e eeuw v.o.j. hebben Keltische volkeren (o.a. Sennonen, Boiers …) zich al stevig genesteld in de vruchtbare Noord-Italiaanse Po-vlakte. Door de stevige impact zou dit later ook wel de Ager Gallicus, of Gallisch land, genoemd worden. De Etruskische bevolking in het noordwesten van het Italiaanse schiereiland voelt zich langzaam maar zeker weggedrukt door de agressief oprukkende, landbouwgrondhongerige Keltische stammen. De hulp van de nieuwe opkomende macht in Midden-Italië, de stadsstaat Rome, wordt ingeroepen.

In juli 386 v.o.j. ondergaat het Romeinse leger bij het riviertje de Allia, op een tiental kilometer van Rome, één van de grootste verpletterende nederlagen in haar bestaan. Onmiddellijk hierna brandschatten en plunderen de Kelten Rome. Nooit eerder en zelfs niet later heeft Rome zo dicht bij haar totale vernietiging gestaan Het betalen van een gigantische afkoopsom aan deze Keltische plunderende stammen, en volgens de Griekse geschiedschrijver Polybios de noodzaak om zich terug te trekken naar hun eigen stamgebied om de rivaliserende Keltische Veneten te stuiten, redt Rome van de ondergang. Rome had op één ragfijn haar na bijna haar plaats in de geschiedenis gemist. Met vallen en opstaan zouden de Romeinen hier lessen uit trekken. Toch zullen gedurende de volgende eeuw vooral de Keltische stammen van Noord- en Midden-Italië aan zet zijn. Pas in de tweede decade van de 3e eeuw v.o.j. kunnen de Romeinen, weliswaar met wisselend succes, de indringers verdrijven.

Sommige historici of schoolboeken geven het ronde jaartal 390 v.o.j. of ook 387 v.o.j. aan voor de bijna-vernietiging van de stad Rome door Gallische stammen. In dit artikel gebruiken we het jaartal 386, opgegeven door de Griekse historicus Polybius, die in zijn werk “Wereldgeschiedenis” of “Historiai”, tamelijk dicht bij deze periode stond en in olympiaden rekende. Het ontstaan van deze beroemde klassieke spelen was aanleiding voor een kalendermaatstaf.

Ook in oostelijke richting, de Donau volgend, is er sprake van een Keltische migratie (o.a. Boiers). Alexander de Grote ontvangt in 335 en 323 v.o.j. Keltische delegaties in de Balkan en in Babylon. Sommige Kelten laten zich als huurling in de Grieks-Macedonische legers inlijven. In 281 v.o.j. vallen Kelten een door de Diadochenstrijd verzwakt Macedonië binnen en verslaan Griekse troepen bij de Thermophylen. Bij een raid in 279 v.o.j. weten Kelten het beroemdste Griekse Apolloheiligdom te Delphi te plunderen. Hierna worden ze verpletterend verslagen en verdreven door de inderhaast oprukkende Griekse troepen. Deze raid betekent niet alleen een militaire, maar vooral een echte culturele schok binnen de Italische en Hellenistische werelden. In een eeuw tijd hebben deze oorlogszuchtige Kelten een beruchte reputatie binnen de klassieke wereld opgebouwd. In 278 v.o.j. dringen de Keltische stammen van Tectosagen, Trocmii en Tolistobogii via de Bosporus door tot in Klein-Azië (het huidige Turkije). Deze stammen vestigen zich in de streken rond de huidige Turkse hoofdstad Ankara en zijn daar door de Grieken gekend als Galatoï (Galaten). Ze worden door de plaatselijke Griekse vorsten betrokken in hun machtsstrijd. In 275 v.o.j. worden de Keltische Galaten verslagen door Antiochus van Seleucia en in 240 door Attalus van Pergamon. Deze laatste laat een beroemd overwinningsaltaar bouwen te Pergamon, dat millennialang een beeldbepalende Griekse weergave zou zijn van de Kelten. De Galaten zijn echter nog niet uitgespeeld.

5. Rome, een stadsstaat met ambitie, leert van zijn tegenstanders om te winnen

Rome heeft in de jaren 280 v.o.j. de Griekse heerszuchtige vorst Phyrrus weten te weerstaan en hem te verdrijven uit Midden-Italië. De Romeinse expansie richting Zuid-Italië en Sicilië is een feit. De heerszuchtige Romeinen komen in een fel confl ict met hun voormalige Carthaagse bondgenoten om de macht in Sicilië en de uiteindelijke heerschappij in het westelijk gedeelte van de Middellandse Zee. Deze confl icten staan bekend als de Punische Oorlogen (264 – 146 v.o.j.) die in drie fasen zullen verlopen. Aangezien de Carthagers op het Iberisch schiereiland eveneens kolonies hebben, komen de Romeinen in contact met de Keltiberiers. In de Keltische gebieden verschijnen vanuit het zuiden de ommuurde proto-steden, de oppida. De noordgrens van deze oppida ligt ten zuiden van België en strekt zich uit tot in Zuid-Duitsland.

Het Romeinse leger ondergaat ondertussen een zekere evolutie door te leren van haar tegenstanders en door doortastend te opereren. Dit gaat niet zonder slag of stoot en gaat gepaard met vallen en opstaan, maar is voor hen een sleutel op weg naar overheersing. In het Noordwest-Italiaanse Teleamon worden de Kelten in 225 v.o.j. verslagen door Romeinse legioenen. Een nieuwe Romeinse tactiek met het gebruik van werpsperen tegen de grotendeels ongepantserde Kelten begint vruchten af te werpen. Deze nederlaag luidt het verval in van de Keltische macht in Noord-Italië. Dit zal uiteindelijk leiden tot de oprichting van een nieuwe Romeinse provincie namelijk Gallia Cisalpina (de Italiaanse kant van de Alpen). Onder leiding van één van de bekwaamste veldheren uit de Oudheid, Hannibal Barcas, spelen Keltiberische en Gallische huurlingen een hoofdrol in de Carthaagse overwinningen op de Romeinen in de 2e Punische Oorlog (218 – 202 v.o.j.). Ondanks enkele zware nederlagen, met bijna desastreuze gevolgen voor Rome, weigert de stad zich over te geven en gaat ze voor de overwinning tot elke prijs. In deze wijze van oorlogsvoering schuwen de Romeinen geen volkerenmoord om hun doel te bereiken.

7. De Romeinse verovering van onze gewesten leidt het einde van de ijzertijd in

De politiek overambitieuze Romeinse proconsul, Gaius Iulius Caesar, voert een agressieve oorlogscampagne tegen de Galliërs (Gallische Oorlogen 58 – 51 v.o.j.) als propagandamiddel en als opstap naar de defi nitieve macht in Rome. In werkelijkheid gaat er geen rechtstreekse militaire dreiging uit van de plaatselijke Keltische stammen: de oorlog start door pure uitlokking. Caesar weet dit handig te omfl oersen als zijnde een noodzakelijke en definitieve vernietiging van de zogenaamde Gallische dreiging. Dit idee slaat aan in de Romeinse gemeenschap, want het verhoogt niet alleen zijn prestige maar dat van alle Romeinen. Zijn verdeel- en heerstactiek die hij tussen de Gallische stammen uitspeelt, draagt bij tot zijn militair en persoonlijk succes. In zijn Gallische veroveringscampagne onderneemt hij eveneens twee raidcampagnes naar Zuidoost-Brittannië (55 en 54 v.o.j.).

Ambiorix, leider van de Eburonen, weet in 53 v.o.j. anderhalf Romeins legioen in een hinderlaag te lokken en te vernietigen. Caesar slaat keihard terug. De laatste grote weerstand van de Galliërs onder leiding van de Arvernische vorst Vercingetorix bezorgt de Romeinen de nodige moeilijkheden. Maar uiteindelijk geeft Vercingetorix zich over na de Romeinse belegering van Alesia in 52 v.o.j. De geopolitieke rol van de Keltische stammen is defi nitief uitgespeeld, ondanks enkele lokale opstanden. Na de consolidatiepolitiek onder de Romeinse keizer Augustus (Octavianus) en de hiermee gepaard gaande oorlogscampagne van de Romeinse generaal Drusus richting Elbe in 12 v.o.j., is het met de ijzertijd in de Lage Landen gedaan. Er wordt geschiedenis geschreven met een kruisbestuiving van de Keltische ijzertijd en de Romeinse oudheid. De Gallo-Romeinse periode is aangebroken.

8. Bronnen

Literatuur

  • Polybios, “Wereldgeschiedenis 264-145 v. Chr.”, uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2007 NL, ISBN 978 90 253 4199 2/NUR 302, 1579 blz.
  • Stephen Allen, “Lords of Battle. The World of the Celtic Warrior”, uitgeverij Osprey Publishing Ltd, Oxford 2007 UK, ISBN 978 1 84176 948 6, 224 blz.
  • John Haywood, “De Kelten. De geschiedenis van een Europees volk”, uitgeverij Pearson Education Benelux, Amsterdam 2005 NL, ISBN 90-430-1086-3, 251 blz.
  • Bernard van Daele, “Het Romeinse leger”, uitgeverij Davidsfonds, Leuven 2003 BE, ISBN 90-5826-224-3 NUR 680, 252 blz.
  • Robert Nouwen, “Caesar in Gallië”, uitgeverij Davidsfonds, Leuven 2003 BE, ISBN 90-5826-232-4 NUR 680, 235 blz.
  • Peter Connolly, “Greece and Rome at war”, uitgeverij Greenhill Books, London 1998 UK, ISBN 1-85367-303-X, 320 blz.
  • Leo Verhart, “Op zoek naar de Kelten”, uitgeverij Stichting Matrijs, Utrecht 2006 NL, ISBN 90 5345 303 2